Zonnepanelen op uw dak zijn als een keuken in uw huis; of toch (nog) niet?

0

 

Een beantwoording van de vraag of zonnedaken onroerende zaken zijn

Recent wees de belastingkamer van de rechtbank Gelderland een voor zonneparken – anders gezegd grotere grondgebonden PV-projecten [1] – een belangrijk vonnis [2]. In de zaak van (de genothebbende van) het zonnepark Azewijn [3] tegen de (heffingsambtenaar van de) gemeente solar-powerplant-3-1611778Montferland kwam de rechtbank tot de conclusie dat aangaande een geschil omtrent het wel of niet verschuldigd zijn van onroerende zaak belasting (“OZB”), een zonnepark als een onroerende zaak moet worden bezien en dus dat er over dat park door genoemde gemeente OZB geheven kan worden.

Ik vroeg mij af wat nu de consequenties van dit arrest zijn voor zonnedaken, anders gezegd voor gebouwgebonden PV-projecten.

Roerend versus Onroerend

Het is van belang te beseffen dat de vraag of een zaak onroerend (of roerend) is vanuit verschillende perspectieven relevant is. In het arrest was het perspectief de OZB. Maar ook vanuit het perspectief van de omzetbelasting is de vraag relevant, alsmede de overdrachtsbelasting en tevens vanuit een civielrechtelijk/zakenrechtelijk perspectief.

Zo is bijvoorbeeld in beginsel de overdracht van een onroerende zaak vrijgesteld van omzetbelasting, terwijl bij een roerende zaak die belasting wel geheven moet worden. Bij de overdracht van een roerende zaak betaalt u geen overdrachtsbelasting, terwijl dat in beginsel wel aan de orde is bij een onroerende zaak. OZB betaalt u logischerwijs niet over een roerende zaak, anders had het wel RZB geheten (“roerende zaak belasting”). Zakenrechtelijk is het onderscheid relevant want onroerende zaken worden nagetrokken door andere onroerende zaken, terwijl een roerende zaak niet kan worden nagetrokken door een onroerende zaak.

Kortom, wel of niet roerend is van groot belang en een andere kwalificatie van een zaak dan u wellicht zou verwachten, kan betekenen dat u geconfronteerd wordt met een onwenselijke belastingheffing of zelfs dat een (vermeend roerende) zaak niet meer uw bezit is maar onderdeel is geworden van iemand anders’ onroerende zaak.

Let wel: het is goed te beseffen dat het begrip “onroerende zaak” in belastingwetten redelijk willekeurig wordt uitgelegd. Er is met de heffing van belastingen geen ander doel dan het genereren van belastinginkomsten en de uitleg van het begrip “onroerende zaak” voor een belastingwet beweegt met dat doel mee. Een wat (onwelgevallige) civielrechtelijke interpretatie of een zaak onroerend of roerend is, kan dan ook – vanwege voornoemd doel – door de ontvanger anders worden uitgelegd. Het kan dus voor komen dat vanuit het perspectief van een bepaalde belasting(rechter) een zaak roerend is, terwijl vanuit een ander (belasting)perspectief zaken onroerend zijn.

Civielrechtelijk kader

Allereerst het civiele kader van wat nu een onroerende en onroerende zaak is. Dit kader is bepalend voor de vraag wie de juridisch eigenaar is van een zaak.

Artikel 3 Boek 3 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken onroerend zijn. Volgens datzelfde artikel zijn alle zaken die niet onroerend zijn roerend.

Nu we dat weten, betekent dit dat als er sprake is van een onroerende zaak, deze zaak door een andere onroerende zaak kan worden nagetrokken (of vice versa). Voor natrekking van opstallen op grond vermeld artikel 20 Boek 5 Burgerlijk Wetboek namelijk met zoveel woorden:

“de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt, (…) gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.”

Het genoemde artikel noemde al ook “bestanddelen” Dit komt terug in artikel 4 lid 2 Boek 3 BW:

“Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.”

Zo heeft de Hoge Raad [4] al geoordeeld dat een keuken van een woning een bestanddeel is van die woning:

kitchen-1424934”[…] woningen in het algemeen inderdaad incompleet zijn zonder een daarin geplaatste keuken, zodat een keuken in de regel naar verkeersopvatting een bestanddeel van de woning zal vormen.”

Als een gebouwgebonden PV-project dus een bestanddeel vormt van het gebouw, maakt dit PV-project deel van het gebouw uit en kom je niet toe aan de vraag of dit project zelfstandig een roerende of onroerende zaak is.

Het voornoemde wettelijke kader is vervolgens in de jurisprudentie nader uitgewerkt. De vraag was veelal of een object dat verenigd is met de grond, duurzaam ter plekke is en zodoende dus onroerend is met alle gevolgen van dien. De jurisprudentie is door de rechtbank in het vonnis krachtig samengevat in randnummer 10 van het vonnis:

“Volgens vaste jurisprudentie is van duurzame vereniging met de grond sprake, indien het betreffende bouwwerk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Bij de beantwoording van de vraag of een bouwwerk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Die bedoeling moet blijken uit bijzonderheden van aard en inrichting van het bouwwerk. Niet van belang is dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwwerk te verplaatsen (zie o.a. HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin), HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ7093 en HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0813).”

Toegepast op zonneparken

De vraag in de casus was dus of, vanuit het perspectief van de OZB, het zonnepark te Azewijn duurzaam met de grond was verenigd. De genothebbende was van mening dat het zonnepark geen onroerende zaak was. De heffingsambtenaar was van mening dat het park wel degelijk onroerend was.

Ik haal nogmaals de rechtbank aan en deze oordeelt duidelijk:

” 11. Gezien de stukken van het geding, de daartoe behorende bouwtekeningen en foto’s van het terrein, alsmede de daarop door partijen ter zitting gegeven toelichting, overweegt de rechtbank als volgt. Het zonnepark bestaat uit een zonnekrachtinstallatie voor het opwekken van elektriciteit uit zonne-energie door middel van zonnepanelen. Die zonnepanelen zijn met moeren vastgemaakt aan stalen profielen, die op hun beurt zijn bevestigd aan een stalen onderstel dat zich deels (tot 80 à 90 cm) in de grond bevindt. De zonnepanelen zijn via kabels en verzamelboxen verbonden met een transformator waarin de door de zonnepanelen geleverde stroom wordt omgezet om vervolgens te worden geleverd aan de afnemer, een nabijgelegen steenfabriek. De transformator is via een elektriciteitskabel met de steenfabriek verbonden. De transformator is daartoe in een transformatorhuisje geplaatst. Het terrein van het zonnepark is omgeven door een manshoog hekwerk dat is voorzien van prikkeldraad.

12. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, behoren de zonnepanelen, de profielen en het onderstel tot een complex waarmee eiseres haar onderneming, het zonnepark, ter plaatse duurzaam exploiteert. De zonnepanelen, de profielen en het onderstel vormen zowel visueel als functioneel een onlosmakelijk geheel met de overige onderdelen van het zonnepark op het terrein, zoals de transformator, de verzamelboxen en de bekabeling die alle onderdelen met elkaar verbindt.

13. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het zonnepark als geheel naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, welke bestemming ook naar buiten kenbaar is. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de zonnepanelen, de stalen profielen en het onderstel door eenvoudige demontage naar een andere locatie kunnen worden verplaatst. Evenmin doet hieraan af dat het zonnepark op gepachte grond is gerealiseerd. Dat is immers niet een fysiek aspect betreffende de aard en inrichting van het zonnepark dat naar buiten kenbaar is.”

Overigens is de rechter niet toegekomen aan wat de Waarderingskamer nu vindt van zonneparken (en daken) voor wat betreft de heffing van OZB dienaangaande [5]. De Waarderingskamer houdt toezicht op de uitvoering van de Wet Waardering Onroerende Zaken (“WOZ”) door gemeenten, adviseert de staatssecretaris van Financiën, verzorgt arbitrage bij geschillen tussen gemeentebesturen en afnemers van WOZ-gegevens (Belastingdienst en waterschappen) en biedt een overlegplatform voor betrokken partijen.

Wat stelt namelijk de Waarderingskamer:

De bouwwerken en installaties waaruit het zonnepark bestaat zijn naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven en daarmee onroerend. Deze bouwwerken en installaties zijn een op zichzelf gebouwd eigendom. Dat technisch de mogelijkheid bestaat de bouwwerken en installaties te verplaatsen doet daaraan niet af. Daarmee is voor het geheel van de bouwwerken en installaties niet voldaan aan de vereisten om in aanmerking te komen voor de werktuigenvrijstelling.”

Ook stelt zij:

“De constructies waarop de zonnepanelen zijn bevestigd kunnen ook niet bij de WOZ-waardebepaling buiten aanmerking blijven, omdat dit op zich gebouwde eigendommen zijn. Randapparatuur, zoals kabels, transformators en vergelijkbare elektronica zijn geen op zich gebouwd eigendom en ook niet noodzakelijk voor de uiterlijk herkenbaarheid. Deze kunnen wel onder de werktuigenvrijstelling vallen en worden niet meegenomen in de WOZ-waardering.”

Ook langs de lijn van de toezichthouder op de OZB zou een zonnepark dus al onroerend zijn geweest.

Het is overigens interessant de analyse van de Waarderingskamer te lezen voor wat betreft het gebruik van de werktuigenvrijstelling en de zogenaamde cultuurgrondvrijstelling voor zonneparken.

Wat het antwoord vanuit een ander dan het OZB-perspectief anders geweest?

Allereerst is de uitspraak gedaan vanuit het perspectief van de OZB en heeft de rechter aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke kader. Maar hoe zou dezelfde vraag vanuit het perspectief van bijv. de omzetbelasting zijn beantwoord?

In een wat oudere (juister is mijns inziens “verouderde”) regeling [6] gaat de staatssecretaris van Financiën in op de vraag wat een roerende zaak is:

“Onder een onroerende zaak wordt verstaan: een zaak die vast is verbonden aan een welbepaald deel van het aardoppervlak. Een zaak is vast met de grond verbonden als de zaak niet gemakkelijk is te demonteren of te verplaatsen, hiermee wordt bedoeld dat de zaak met behoud van de oorspronkelijke functie alleen met een aanzienlijke inzet van materiaal en/of menskracht is te demonteren of te verplaatsen. Zaken die relatief gemakkelijk zijn te verplaatsen zijn roerend.”

In 1999 was de regering dus (nog steeds) van mening dat voor wat de omzetbelasting de verwijderbaarheid relevanter was dan dat iets naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven. Dit terwijl het door mij eerder genoemde Portacabin-arrest een andere maatstaf formuleert voor wat betreft de civielrechtelijke analyse wat nu onroerend is of niet. Gegeven mijn eerdere conclusie dat belastingmaximalisatie belangrijker is voor wat een onroerende zaak is of niet dan wat civielrechtelijk het uitgangspunt is, is dit niet verwonderlijk.

In datzelfde jaar besloot de staatssecretaris in een (nu reeds vervallen) besluit betreffende de behandeling voor de inkomstenbelasting van de renten van de eigenwoningschulden [7] over zonnepanelen als volgt:

“3.8.1. Zonnepanelen “De lening voor de aanschaf van zonnepanelen en de zonnepaneleninstallatie kan als eigenwoningschuld worden aangemerkt als de zonnepaneleninstallatie onroerend is geworden. Daarbij moet worden onderkend dat er verschillen zijn in installaties. Zo zijn er zonnepanelen die als het ware ‘los op de daken gelegd worden’ en panelen die slechts met een viertal schroeven worden bevestigd. Daarvan kan niet worden gesteld dat zij onroerend zijn geworden. Een installatie kan onroerend worden als die duurzaam met de woning is verenigd in de zin van artikel 3:3 van het BW doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen. De beoordeling of de zonnepaneleninstallatie onroerend is, is civielrechtelijk van aard en sterk feitelijk.”

Even los van het feit dat heden ten dage zonnepanelen niet meer op een dak geschroefd worden (zo dat ooit het geval was) en dat we met deze besluiten nog verkeren in het vorige millennium, kan betoogd worden dat er vanuit voornoemde (belasting)perspectieven er feitelijke situaties zijn dat PV-projecten roerend kunnen zijn. Echter, de omstandigheden van het geval zijn natuurlijk bepalend zoals de staatsecretaris stelt.

Conclusie aangaande zonneparken

Ik zou menen dat ook vanuit een ander perspectief dan de OZB de vraag of een zonnepark nu roerend of onroerend is momenteel niet anders meer zou kunnen worden beantwoord. Anders gezegd, een zonnepark zal zowel vanuit OZB, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, inkomstenbelasting (zo dat op gaat bij zonneparken) onroerend zijn.

Ik kan mij geen omstandigheden voor de geest halen dat een zonnepark nu nog roerend zou kunnen zijn. De uitspraak van de rechtbank is dus niet verrassend, ook al omdat in algemeenheid zonneparken door de markt (de verkeersopvatting) al als onroerend worden bezien.

Gevolgen voor zonnedaken [8]; wat is er bekend?

Bij gebouwgebonden PV projecten was (en wellicht is?) veelal de aanname dat bij (kleinere) projecten (op woningen) het PV-project als roerend kan worden bezien. Aedes geeft bijvoorbeeld in een handreiking aan haar leden aangaande knelpunten betreffende zonnepanelen aan dat roofs-with-solar-panels-1202305(experts van mening zijn dat) het een roerende zaak betreft [9]:

“Conclusie: Uit verschillende bronnen en uitspraken kunnen we concluderen dat zonnepanelen die op het dak zijn gelegd of geschroefd met een paar schroeven, aangemerkt kunnen worden als roerend. Geïntegreerde panelen die een onderdeel van de dakbedekking vormen (zowel bij platte als hellende daken) worden in ieder geval door het Burgerlijk Wetboek aangemerkt als onroerend.”

Overigens maakt Aedes wel een voorbehoud dat als de eigenaar van de panelen een ander is dan de eigenaar van de gebouwen, het verstandig is een opstalrecht te vestigen. Interessant om te vernemen van de juridische experts die meewerkten aan dit Aedes-advies is of na het vonnis van de rechtbank deze conclusie nog steeds geldt!

Ook de eerder genoemde Waarderingskamer sprak zich (vanuit het OZB perspectief) in een advies (zie noot 5) uit over de vraag of gebouwgebonden PV-projecten roerend zijn of niet. Vanwege het belang van deze analyse geef ik één en ander volledig weer:

“Vraag III: Is de werktuigenvrijstelling van toepassing op zonnepanelen op daken?

Voor het antwoord op deze vraag kan onderscheid gemaakt worden tussen de volgende twee situaties:

  1. De zonnepanelen vormen een bestanddeel van het gebouw wanneer de zonnepanelen eigendom zijn van en in gebruik zijn bij dezelfde belanghebbenden als de eigenaar respectievelijk gebruiker van het gebouw. De zonnepanelen produceren dan energie, dus er is wel sprake van een werktuig. Maar omdat dit werktuig, net als bijvoorbeeld de verwarmingsinstallatie, dienstbaar is aan het gebouw zal de werktuigenvrijstelling niet van toepassing zijn. 2. Wanneer de zonnepanelen een andere eigenaar hebben (opstalrecht) of gebruiker (bijvoorbeeld energiecorporatie) zal de zonne-energiecentrale op het dak een zelfstandig WOZ-object vormen. Dit WOZ-object bestaat dan uit de zonnepanelen, de elektronica en de aansluiting op het elektriciteitsnet. Deze zonne-energiecentrale voldoet aan de criteria voor een werktuig. De centrale produceert immers energie die geleverd wordt aan derden (productieproces).

De zonne-energiecentrale op het dak wordt op eenzelfde wijze behandeld als de zonne-energiecentrale direct op de grond. Net als bij de zonnepanelen in een zonnepark, zijn de op een dak geplaatste zonnepanelen die onderdeel uitmaken van een zelfstandige zonne-energiecentrale noodzakelijk voor de uiterlijke herkenbaarheid. De zonne-energiecentrale geplaatst op een dak vormt dan een zelfstandig WOZ-object. In de waarde van dit WOZ-object wordt ook meegenomen de waarde van de zonnepanelen. Net als bij zonneparken zijn voor de uiterlijke herkenbaarheid niet nodig kabels, transformators en vergelijkbare elektronica. Deze kunnen wel onder de werktuigenvrijstelling vallen en worden bij de zelfstandige zonne-energiecentrale op een dak niet meegenomen in de WOZ-waardering.”

Het is dus duidelijk voor de Waarderingskamer. Gebouwgebonden PV-projecten zijn, als ze het juridisch en het economisch eigendom zijn van de gebouweigenaar en dienstbaar zijn aan het gebouw, onderdeel van het gebouw en zijn zodoende geen zelfstandig WOZ-object meer. Is de juridisch eigenaar van het gebouwgebonden PV-project geen juridisch eigenaar van het gebouw, dan is het project weer een zelfstandig WOZ-object.

Interessant om te weten (en waar de Waarderingskamer helaas niet op in gaat) is bij een PV-project i) waarbij de eigenaar van de panelen ook gebouweigenaar is, maar ii) waarbij de gebouweigenaar de stroom niet zelf gebruikt maar met een aparte aansluiting invoedt op het net (en dus niet “achter de meter” invoedt), er nog steeds sprake is dat het PV-project bestanddeel is van het gebouw is. Ik zou menen van niet en dat het PV-project in kwestie een zelfstandig WOZ-object is.

Overigens is met deze analyse van de Waarderingskamer een grondslag gegeven waarmee de vraag kan worden beantwoord of de verbinding van een PV-project met het “net” nu een “aansluiting” is of niet. [10]

Analyse

Duidelijk is dat voor een grondgebonden PV-project de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven en de omstandigheden van het geval bepalend zijn. Dat is ook het uitgangspunt bij gebouwgebonden PV-projecten. Deze projecten hoeven overigens niet altijd op het dak solar-collectors-on-a-blue-sky-1562437gemonteerd te zijn, tegenwoordig zijn ze ook geïntegreerd of onderdeel van de gevel. [11]

Naar mijn mening is het voorts duidelijk dat de rechtbank geen doorslaggevende betekenis (meer) toekent aan de vraag of een PV-project makkelijk verplaatst kan worden.

Zonnedaken op een gebouw (daaronder tevens verstaan woningen), waarbij de zonnepanelen dienstbaar zijn aan het gebouw (dus de stroom wordt opgewekt voor eigen gebruik), lijken voorts een bestanddeel te kunnen zijn van het gebouw en zijn derhalve deel van het gebouw en dus dientengevolge al onroerend.

Conclusie aangaande zonnedaken

Ik zou dus menen – daarbij weliswaar sterk leunend op de redenatie van de rechtbank alsmede de Waarderingskamer die beiden vanuit een OZB-perspectief de vraag naar de (on)roerendheid van zaken beantwoorden – dat een gebouwgebonden PV-project een onroerende zaak is, ongeacht:

  1. of het een dak- of gevelinstallatie betreft of en in het gebouw geïntegreerd PV-project;
  2. het PV-project nu zichtbaar is of niet; of
  3. het feit dat een zonnedak makkelijker te verplaatsen is dan een zonnepark.

Enkel in zeer bijzondere omstandigheden kan er naar mijn mening, voor wat betreft gebouwgebonden PV-projecten, sprake zijn van een roerende zaak. Die zijn echter zo bijzonder dat ik er geen voorbeeld bij kan verzinnen.

Voor de OZB moet aangenomen worden dat een gebouwgebonden PV-project al snel een bestanddeel is van het gebouw indien er sprake is van opwek voor eigen gebruik. Vanuit andere perspectieven is nog niet duidelijk te beantwoorden of een PV-project, bedoeld om stroom op te wekken voor eigen gebruik, een bestanddeel is van het gebouw.

Aanbeveling

Vanwege het feit dat het duidelijk is welke kant het vanuit het OZB-perspectief opgaat, ondanks dat er vanuit de andere perspectieven nog andere lezingen kunnen zijn, is het altijd zinvol een opstalrecht te verkrijgen als de eigenaar van het PV-project een andere is dan de grond- en/of gebouweigenaar. Ik zou niet vertrouwen op de roerendheid van een PV-project op een dak, hoe klein dat project ook is!

Voorts dient u er rekening mee te houden dat u OZB over de waarde van uw PV-project dient te betalen, waarbij u wel gebruik kunt maken van bestaande vrijstellingen als u met het project niet voor eigen verbruik opwekt. Ook bij de overdracht van het PV-project (of het gebouw en/of huis waar het project deel van uit maakt) dient u rekening te houden met de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting.

Zijn uw zonnepanelen op uw dak als de keuken in uw huis?

Maar is het nu zo dat gesteld kan worden, zoals in de titel van mijn blog, dat zonnepanelen zijn als een keuken? Anders gezegd, is het naar de verkeersopvatting zo dat een gebouw (meer in het bijzonder een woning) incompleet is zonder een PV-project, zodat het PV-project in de regel en naar verkeersopvatting een bestanddeel is gaan vormen van de woning? De Waarderingskamer denkt vanuit het OZB-perspectief van wel. Ik denk vanuit het civielrechtelijke perspectief van niet …. want zo gebruikelijk zijn zonnepanelen op een gebouw of woning heden ten dage nog niet, terwijl er geen huis bestaat zonder een keuken.

Of een zonnedak dus civielrechtelijk dus ooit een keuken wordt en wanneer? Wie het weet mag het zeggen, maar onroerend is het zonnedak nu al; daar bestaat naar mijn mening nu geen twijfel meer over!

————————————————–

 

[1] PV staat voor photovoltaïsch en als ik in deze blog de term “PV-project” gebruik bedoel ik het geheel van zonnepanelen, inverters/converters, bevestigingsmateriaal en overige onderdelen.

[2] http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:3469&keyword=WOZ+montferland

[3] http://pfixxsolar.nl/portfolio/solarpark-azewijn/

[4] http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2004:AQ0130

[5] http://www.waarderingskamer.nl/hulpmiddelen-gemeenten/vrijstellingen-zonnepanelen-en-parken/

[6] Het gaat hier om een besluit van 14 juli 2009. Het gaat over de heffing van omzetbelasting in Nederland bij de levering van onroerende zaken, de op onroerende zaken gevestigde rechten en de verhuur van onroerende aken. Zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-11140.html

[7] Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0026582/2009-11-04#

[8] Ik beperk mij overigens in deze blog tot PV-project en ga niet verder in op zonthermische-panelen. Echter, de redenaties die voor PV-project opgeld doen, zijn mijns inziens nog sterker van toepassing op zonthermische projecten nu de geproduceerd warmte nog meer dan bij geproduceerde stroom door de gebouweigenaar wordt afgenomen.

[9] http://www.aedes.nl/binaries/downloads/energie-en-duurzaamheid/publicaties/juridische-knelpunten-collectieve-zonnestroominsta.pdf

[10] De begrippen “net” en “aansluiting” zoals gedefinieerd in de Elektriciteitswet.

[11] http://www.sbrcurnet.nl/producten/infobladen/opname-van-pv-panelen-in-gevels

Deel via:

Over de AUTEUR

Jan Albert Timmerman

Jan Albert Timmerman (1969) is oprichter van RenewabLAW. Voordat Jan Albert in 2013 met RenewabLAW startte, was hij actief als [interim] jurist in de energie sector (NUON, Alliander, DELTA, TenneT) en hightech sector (Philips). RenewabLAW is aangesloten bij de Nederlandse Wind Energie Associatie, Holland Solar, Nederlandse vereniging voor Energierecht en de Nederlandse Vereniging voor Aanbestedingsrecht. Jan Albert is voorzitter van de juridische en fiscale werkgroep van Holland Solar en mentor bij Rockstart Smart Energy Accelerator.

Reageren is niet mogelijk.