Werkgeverslasten 2016

0

Inzicht in werkgeverslasten 2016 is van belang om de totale loonkosten te kennen en om het risico te bepalen van ziekteverzuim, alsmede het eigen risicodragen ZW en WGA. In deze bijdrage worden de werkgeverslasten voor 2016 onder de loep genomen.

Deze bijdrage is een vervolg op mijn artikel over de werkgeverslasten 2015 dat in de zomer van 2015 is gepubliceerd.

Werkgeverslasten 2016

De totale loonkosten bestaan niet alleen uit het bruto loon maar ook uit de daarover verschuldigde werkgeverslasten. Werkgeverslasten bestaan uit wettelijke en niet wettelijke lasten en worden niet alleen betaald over het loon maar ook over uitkeringen. In totaal kunnen werkgeverslasten oplopen tot maximaal 40% van het bruto loon.

Inzicht in de werkgeverslasten is van belang bij het aannemen van personeel, het afsluiten van een verzuimverzekering en de beslissing om eigenrisicodrager ZW en/of WGA (en per 1-1-2017 ook WGA-flex) te worden.

Wettelijke werkgeverslasten

Wettelijke werkgeverslasten bestaan uit premies werknemersverzekeringen:

  • WAO-WIA basispremie (inclusief premie kinderopvang)
  • AWF-premie
  • ZVW-premie
  • Sectorfondspremie
  • Sectorpremies (Whk)

Premies werknemersverzekeringen worden berekend over het gemaximeerde loon (artikel 17 Wfsv). Per 1-1-2016 bedraagt dat maximum € 52.763,- per jaar.

Wettelijke werkgeverslasten over uitkeringen worden soms op iets andere wijze vastgesteld dan over het loon. Het is namelijk van belang wie de uitkering betaalt. Dat kan het UWV zijn als ‘fictief werkgever’ of de feitelijke werkgever. Deze laatste doet dat in de hoedanigheid van eigen risicodrager ZW en/of WGA.

Niet-wettelijke werkgeverslasten

Niet wettelijke werkgeverslasten zijn de via arbeidsovereenkomst of CAO geldende lasten zoals de pensioenpremie en sectorale afdrachten (bijvoorbeeld O&O-fondsen)

Wet Bezava

De Wet Beperking Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid Vangnetters (Wet Bezava) heeft met ingang van 1-1-2014 de financiering van ZW en WGA-uitkeringen ingrijpend veranderd. Dit heeft ook gevolgen voor werkgeverslasten.

Door de Wet Bezava betalen kleine werkgevers vanaf 2014 voor ZW-lasten en WGA-vast en WGA-flex lasten per sector vastgestelde premies Werkhervattingskas (Whk). Grote werkgevers betalen voor deze lasten drie individueel gedifferentieerde Whk-premies: de ZW, WGA-vast en WGA-flex premie. De gedifferentieerde premies kennen een minimum en een maximum. Voor middelgrote bedrijven geldt een combinatie van sectorpremies en gedifferentieerde premies.

De middelen van de Werkhervattingskas (artikel 117b Wfsv) dienen ter financiering van onder meer ZW-uitkeringen betaald aan tijdelijke werknemers die ziek uit dienst gaan. Daarnaast worden WGA-uitkeringen betaald die betrekking hebben op de eerste 10 jaren van arbeidsongeschiktheid. Dat geldt echter weer niet voor de WGA-uitkeringen in de loonaanvullingsfase die hoger zijn dat de WGA-vervolguitkering. Dat meerdere deel wordt vanuit de basispremie WIA/WAO betaald. Dat geldt ook voor de WGA-uitkeringen na 10 jaar. Voor meer informatie over de financiering van de Sociale Zekerheid verwijs ik naar mijn eerdere bijdrage ‘Financiering Sociale Zekerheid: een schets op hoofdlijnen’.

De grenzen voor kleine, middelgrote en grote werkgevers worden elk jaar opnieuw vastgesteld. Voor 2016 geldt dat een werkgever met een loonsom tot € 319.000,- als klein wordt aangemerkt. Boven € 3.190.000,- wordt het bedrijf als groot aangemerkt. De tussencategorie zijn ‘middelgrote’ bedrijven. Overigens wordt de loonsom van het peiljaar t-2 als uitgangpunt genomen. Dat betekent dat voor het jaar 2016, de loonsom uit 2014 bepalend is. Mocht dit geen goed beeld geven van de omvang van de werkgever in het jaar t, dan kan een verzoek worden gedaan tot verlegging van het peiljaar naar het jaar t-1 of zelfs t.

Om spraakverwarring te voorkomen: er bestaat verschil tussen de per sector vastgestelde premies Whk en sectoraal gedifferentieerde premies voor de sectorfondsen. Deze laatste (de sectorfondspremies) dienen ter financiering van het eerste halfjaar van werkloosheid (voorheen wachtgeldfondsen genoemd), de Ziektewet-staartuitkeringen van eigen risicodragers en de WGA-uitkeringen aan flexwerkers die gestart zijn voor 1 januari 2012 en de WGA-staartuitkeringen van eigen risicodragers WGA-vast vanaf 2014 voor kleine en middelgrote werkgevers.

Werkgeverslasten over het loon voor niet eigen risicodragers

Werkgevers betalen werkgeverslasten over het loon van werknemers. Bij loondoorbetaling bij ziekte zijn dat (procentueel) dezelfde werkgeverslasten. Bij ziekte is immers sprake van doorbetaling van het overeengekomen bruto loon (artikel 7:629 BW). Dat varieert van 100% van het ongemaximeerde loon tot de wettelijke verplichting van 70% van het gemaximeerde loon. Het gemaximeerde loon bedraagt voor 2016, € 52.766,37

De werkgeverslasten over het loon van (zieke) werknemers bedragen voor niet eigen risicodragers gemiddeld 18,47% in 2016. Dat is een gemiddelde omdat werkgeverslasten afhankelijk zijn van de sector waartoe een werkgever behoort, de grootte van de werkgever en de eventuele uitkeringen aan (ex) werknemers. Voor het genoemde cijfer is als indicatie uitgegaan van de gemiddelde Whk-premie, zijnde de rekenpremie (1,12%) en het gemiddelde van de sectorfondspremies (1,78%).

Om de werkelijke werkgeverslasten te bepalen dient uit te worden gegaan van de WAO/WIA-basispremie inclusief premie kinderopvang, de AWF-premie en de ZVW werkgeverspremie. Deze bedragen 15,57%. Daarboven komt de sectorfondspremie en de Whk-premie.

Voor een kleine werkgever (tot een grens van € 319.000,-) gaat het om de ‘eigen’ sectorfondspremie en de sectorale premie Whk. Zo is de sectorfondspremie 2016 voor een bouwbedrijf 1,82% en de sectorale premie WGA vast 0,79, WGA flex 0,32 en ZW 0,48 (samen 1,59%). Opgeteld zijn de werkelijke werkgeverslasten voor een ‘klein’ bouwbedrijf: 15,57% + 1,82% + 1,59% = 18,98%

Voor een grote werkgever (boven een grens van € 3.190.000,- moet de ‘eigen’ sectorfondspremie en de individuele gedifferentieerde premie WGA vast, WGA flex en ZW worden opgeteld bij de hiervoor bepaalde 15,57% voor de WAO/WIA-basispremie inclusief premie kinderopvang, de AWF-premie en de ZVW werkgeverspremie. De gedifferentieerde premies worden door het UWV elk jaar in november verstrekt (Beschikking loonheffingen gedifferentieerde premies Werkhervattingskas). Voor een bouwbedrijf is de sectorfondspremie dezelfde als voor een klein bedrijf: 1,82%. Stel dat de gedifferentieerde premies WGA vast, WGA flex en ZW gelijk zouden zijn aan de maximumpremies, dan zou dit uitkomen op 4,28%. De totale werkgeverslasten komen dan uit op 15,57% + 1,82% + 4,28% = 21,67%.

Het andere uiterste zou zijn als dit bedrijf 3 x de minimumpremie zou betalen. De som van deze premies zou dan uitkomen op 0,27%. De totale werkgeverslasten zijn in dat geval 15,57% + 1,82% + 0,27% = 17,66%.

Voor een middelgroot bedrijf is deze berekening het moeilijkst. Voor de sectorfondspremie maakt de omvang van het bedrijf niet uit. Dat is wel het geval voor de sectorale/gedifferentieerde premies. Voor elke middelgroot bedrijf moet zowel de sectorale Whk-premie als de gedifferentieerde Whk-premies worden bepaald. Vervolgens wordt een gewogen gemiddelde berekend. De formule is: sectorpremie x (1 – wegingsfactor) + individuele gedifferentieerde premies x wegingsfactor. De wegingsfactor = (eigen loonsom – loonsom grens klein) / (loonsom grens groot – loonsom grens klein).

Voor een bouwbedrijf met een loonsom van € 2.000.000,- met sectorpremie van 1,82 en de maximale gedifferentieerde premies (4,28%) zou de Whk premie als volgt worden berekend: Whk-premie = 1,82 x (1 – 0,59) + 4,28 x 0,59 = 3,27. De wegingsfactor = € 2.000.000,- – € 319.000,- / (3.190.000,- – € 319.000,-) = 0,59. In dit geval zit de omvang van het bedrijf dichter tegen de grens van grote dan die van kleine bedrijven aan. Daarom wegen de gedifferentieerde premies (4,28%) iets zwaarder dan de sectorpremie (1,82%). Deze berekening is terug te vinden op de hiervoor genoemde Beschikking loonheffingen. De werkgeverslasten 2016 zouden in het voorbeeld uitkomen op 15,57% + 1,82% + 3,27% = 20,66%

Afhankelijk van de sector, de hoogte van de loonsom en de lasten van zieke en arbeidsongeschikte (ex)werknemers in het jaar t-2 (die de hoogte van de gedifferentieerde premie bepalen), kunnen de individuele werkgeverslasten dus hoger of lager zijn. Het maximale percentage wettelijke werkgeverslasten ligt rond 25%.

Samen met de niet-wettelijke werkgeverslasten, zoals het werkgeverdeel van de pensioenpremie en sectorafdrachten, kan het totale percentage werkgeverslasten 2016 oplopen tot meer dan 40% van het loon. Bij het verzekeren van het verzuimrisico dient hiermee rekening te worden gehouden door een extra percentage voor werkgeverslasten mee te verzekeren. Praktisch elke verzekeraar biedt deze mogelijkheid.

Het doorbetaalde loon bij ziekte mag overigens niet verward worden met de (werkelijke) kosten van verzuim. De werkelijke kosten van verzuim zijn gelegen in het productieverlies als gevolg van verzuim en eventueel de extra kosten zoals overwerk, inhuur van vervanging etc. om dit productieverlies te beperken. Uit onderzoek van TNO blijkt dat de werkelijke kosten van verzuim fors hoger kunnen liggen dan de loonkosten. Voor de kosten van verzuim is dus het productieverlies bepalend en niet het doorbetaalde loon. Dat laatste is vooral van belang als verzekeringsgrondslag voor verzuimverzekeringen omdat een maatstaf als ‘productiviteit’ niet werkbaar is.

Werkgeverslasten over het loon voor eigen risicodragers ZW/WGA

 Werkgevers kunnen ervoor kiezen om eigen risicodrager ZW en/of WGA te worden. Voor de WGA kan dat op dit moment alleen voor het WGA-vast risico. De minister SZW heeft aangekondigd om per 1-1-2017 ook eigen risico dragen mogelijk te maken voor het WGA-flex risico. Dit is alleen mogelijk in combinatie met eigen risicodragen WGA vast. Daarnaast heeft de minister maatregelen aangekondigd waardoor het voor veel werkgevers aantrekkelijker wordt om eigen risicodrager te worden. Zo blijven de zogeheten staartlasten (lopende WGA-uitkeringen en toekomstige WGA-uitkeringen van zieke werknemers) achter bij het UWV. Tot nu dienden eigen risicodragers (behalve kleine werkgevers) deze staartlasten wel mee te nemen en (meestal) af te financiering via een koopsom bij de verzekeraar die als onderdeel van de verzekeringsdekking een garantstelling bood. Anderzijds gaan eigen risicodragers die terugkeren naar het UWV een hogere premie betalen dan de minimumpremie. Nog een maatregel is dat eigen risicodragers die terugkeren naar het UWV in alle gevallen minimaal 3 jaar in het publieke bestel moeten blijven alvorens toestemming wordt verkregen om opnieuw eigen risicodrager te worden.

Eigen risicodragers ZW nemen het risico van ZW-uitkeringen over van het UWV. Dat zijn voornamelijk ZW-uitkeringen aan werknemers met een tijdelijk contract die ziek uit dienst gaan. De eigenrisicodrager betaalt geen premie voor het ZW-deel (artikel 2.7, eerste lid Besluit Wfsv). Eigen risicodragers ZW hebben overigens geen garantstelling nodig. Daarnaast hoeven zij geen staartlasten mee te nemen.

Voor eigen risicodragers WGA geldt hetzelfde. Zij nemen het financiële risico van WGA-uitkeringen over en betalen geen premie voor het WGA-vast deel (artikel 2.7, tweede lid Besluit Wfsv). Zoals hiervoor aangegeven moeten (middel)grote werkgevers staartlasten op dit moment (dat geldt alleen nog maar voor eigen risicodragen per 1-1-2016 en 1-7-2016) nog wel meenemen.

Door de Wet Bezava krijgen kleine bedrijven vrijstelling voor de sectorpremie terwijl dat voor grote bedrijven de gedifferentieerde premie is. Voor middelgrote bedrijven geldt een vrijstelling voor de gecombineerde sector/gedifferentieerde premies.

De werkgeverslasten voor eigen risicodragers over het loon van (zieke) werknemers zijn dus lager dan voor niet eigen risicodragers. De exacte korting op werkgeverslasten is voor werkgevers alleen individueel te bepalen omdat dit afhangt van het risico dat men zelf draagt, de sector waartoe men behoort, het aantal zieke en/of arbeidsongeschikte (ex)werknemers en de omvang van het bedrijf.

Gemiddeld is de korting op de werkgeverslasten gelijk aan de rekenpremie voor het risico dat de werkgever zelf draagt. De ZW-rekenpremie bedraagt 0,39% voor 2016 terwijl de WGA-vast rekenpremie 0,48% bedraagt. De rekenpremie WGA flex (0,25%) is in 2016 in dit verband nog niet relevant. In de tabel is uitgegaan van de rekenpremies als maatstaf voor de gemiddelde sectorpremie cq. individuele gedifferentieerde premies. Voor eigen risicodragers ZW bedragen de gemiddelde werkgeverslasten 2016, 18,08% terwijl dat voor eigen risicodragers WGA, 17,99% is.

De werkelijke werkgeverslasten zijn te berekenen zoals beschreven bij de werkgeverslasten over het loon van (zieke) werknemers. In dit geval hoeft alleen de eigen premie Whk buiten beschouwing te blijven.

Werkgeverslasten over uitkeringen voor eigen risicodragers ZW/WGA

De eigen risicodrager neemt de ZW- of WGA-uitkeringsverplichting over van het UWV. De uitkeringsverplichting is niet alleen de uitkering zelf maar ook de daarop rustende werkgeverslasten. Dat zijn in dit geval alleen de premies werknemersverzekeringen. Dit zijn echter deels andere premies werknemersverzekeringen dan over het loon van (zieke) werknemers.

Bij eigen risicodragen ZW betaalt de werkgever namens het UWV het ziekengeld aan de zieke ex-werknemer (artikel 63a ZW). Er zijn echter situaties waarin het UWV de uitkering eerst betaalt aan de werkgever die dit weer doorbetaalt aan de werknemer. In beide gevallen is niet het UWV ‘werkgever’ maar is dat de werkgever zelf (artikel 11, lid 3 ZW). Eigen risicodragers ZW betalen over uitkeringen dezelfde wettelijke werkgeverslasten als over het loon (artikel 28, lid 5 juncto artikel 38a, lid 3 Wfsv).

Bij eigen risicodragen WGA is de situatie in de regel anders. In beginsel betaalt het UWV de WGA-uitkering (artikel 83 WIA) en verhaalt dit op de eigen risicodrager. In dat geval wordt het UWV ‘fictief’ werkgever en betaalt, net als reguliere werkgevers, ook werkgeverslasten. Wel geldt hiervoor een afwijkende regeling. In plaats van een specifieke sectorfondspremie, betaalt het UWV de vervangende sectorfondspremie (artikel 28, lid 2 Wfsv). Deze is gelijk aan de gemiddelde sectorpremie van het vorig jaar (artikel 2.4, lid 1 Besluit Wfsv) en bedraagt voor 2016, 2,16%. Daarnaast draagt het UWV in plaats van sector/gedifferentieerde premies Whk, de som van de rekenpremies af (artikel 38a, lid 1 Wfsv jo. artikel 2.9 Besluit Wfsv). Deze bedraagt voor 2016: 1,12%. Werkgeverslasten over uitkeringen WGA bedragen voor 2016, 18,68%. Voor het afsluiten van een verzekering is dit een relevante factor omdat deze werkgeverslasten voor rekening van de eigen risicodrager WGA komen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat wanneer de eigen risicodrager WGA (net als de eigen risicodrager ZW) de uitkering zelf rechtstreeks aan de werknemer betaalt, het voorgaande niet van toepassing is. In dat geval geldt de reguliere sectorpremie en de ‘eigen’ sector/gedifferentieerde premie over de WGA-uitkering. Ofwel, in dat geval gelden dezelfde werkgeverslasten als over het loon (artikel 28, lid 5 juncto artikel 38a, lid 3 Wfsv).

Tabel: Werkgeverslasten 2016 voor kleine, middelgrote en grote werkgevers

 

werkgeverslasten 2016

Toelichting:

  • WAO/WIA-premie ter financiering van WAO-uitkeringen, IVA-uitkeringen, WGA-uitkeringen die langer dan 10 jaar lopen en WGA-uitkeringen in de loonaanvullingsfase voor zover hoger dan de WGA-vervolguitkering (artikel 36 Wfsv), met opslag kinderopvang (artikel 1.10 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen)
  • AWF- premie voor WW-uitkeringen die langer dan 6 maanden lopen (artikel 23 Wfsv)
  • ZVW-premie (artikel 41 Zvw);
  • Premies sectorfondsen WW voor de eerste 6 maanden van de WW (wachtgeldpremie) plus een opslag voor ZW- en WGA-uitkeringen voor flexwerkers ingegaan voor 1-1-2012 (artikel 23 Wfsv);
  • Sectorpremies voor ZW-uitkeringen en WGA (vast en flex) uitkeringen die niet uit de basispremie worden gefinancierd. Kleine bedrijven betalen een vaste premie per sector (artikel 38 Wfsv jis. 2.06 en 2.10 Besluit Wfsv). Grote werkgevers betalen gedifferentieerde premies (artikel 38 Wfsv jo. artikel 2.6 Besluit Wfsv)
  • Combinatie van sector- en gedifferentieerde premies voor middelgrote werkgevers (artikel 38 Wfsv jis. 2.6 en 2.10 Besluit Wfsv);
  • Vervangende sectorfondspremie voor uitkeringen (artikel 28, lid 2 Wfsv);
  • Rekenpremie voor uitkeringen is de som van de rekenpremies (artikel 38a Wfsv jo. artikel 2.9 Besluit Wfsv);
  • Werkgeversdeel van de pensioenpremie kan oplopen tot boven 20%.
  • Afdrachten aan sectorfondsen (zoals O&O-fondsen) bedragen in de regel enkele procentpunten.

Samenvatting

 Niet eigen risicodragers betalen in 2016 gemiddeld 18,47% wettelijke werkgeverslasten. Dat is een gemiddelde omdat de sectorfondspremie en de Whk-premies individueel verschillen. Het maximum ligt rond 25%. Inclusief niet wettelijke lasten zijn de werkgeverslasten maximaal 40% van het bruto loon.

Eigen risicodragers betalen over het loon minder werkgeverslasten omdat vrijstelling wordt verkregen van de premie voor het risico dat men zelf draagt.

Eigen risicodragers betalen over uitkeringen dezelfde werkgeverslasten als over het loon. Dat geldt niet bij eigen risicodragen WGA als het UWV de uitkering betaalt aan de uitkeringsgerechtigde en dit verhaalt op de werkgever. In dat geval zijn de werkgeverslasten 2016 in alle gevallen 18,85%.

Werkgeverslasten veranderen elk half jaar. Inzicht in de werkgeverslasten is niet alleen van belang bij de bepaling van de totale loonkosten maar ook bij het aannemen van personeel, het afsluiten van een verzuimverzekering of een beslissing in verband met eigen risicodragen ZW en WGA.

Grondslag cijfers

De premies en andere cijfers voor deze berekeningen zijn ontleend aan:

Deel via:

Over de AUTEUR

Ton Breitenfellner

mr. A.J.H. (Ton) Breitenfellner heeft Economie, Sociaal Zekerheidsrecht en Financieel Recht (Erasmus Universiteit Rotterdam) gestudeerd. Met ruim 30 jaar ervaring binnen de publieke én de private Sociale Zekerheid is hij breed georiënteerd op alle aspecten die direct of indirect te maken hebben met de Sociale Zekerheid. Ton is gespecialiseerd in onderwerpen die op het snijvlak liggen van Sociale Zekerheid, Arbeidsrecht, HRM, Financieel recht en Accountancy en publiceert hier regelmatig over. Hij stelt zijn expertise ter beschikking aan professionals die zelf werkzaam zijn binnen de Sociale Zekerheid of daarmee raakvlak hebben. Naast jurist en adviseur Sociale Zekerheid is Ton bestuurslid van de Stichting NPVL (Nationaal Platform Verzuim en Letselschade). Ook is hij als auteur verbonden aan diverse media van onder meer Kluwer en SDU en is hij docent en (gast)spreker.

Reageren is niet mogelijk.